tussenstand 29 okt

Solaris:

  • Geproefd en zuur gemeten
  • Smaak goed; beiden nog vrij zoet terwijl gisting voorbij
  • perswijn is helderder dan lek
  • zuurgraad onveranderd: pers ca 6, lek ca 8

Johanniter:

  • gisting nog bezig; pers lijkt verder dan lek. Wilde gisting absoluut voorbij. De bar ruikt ook niet meer als kroeg; de deur mag openblijven…
  • geproefd en zuur gemeten
  • smaak lek is prima, erg zoet nog; lek smaakt anders; minder zou, wat bitterder; dat laatste geldt ook voor de neus.

Zuur:

  • lek 8 g/l – niet afgebouwd in gisting
  • pers 7 g/l – opmerkelijk verschil

 

Beschouwing:

1.

Bij de solaris lijkt op de lek de malo niet aangeslagen, bij de pers wel. Vraag is of die conclusie juist is, of dat de zuurafbouw bij de pers tijdens de gisting is ontstaan.

Mogelijke verklaring: andere verhouding appel/wijnsteenzuur.

Vraag: bevat de pers meer appelzuren dan de lek?? 

2.

Gesteld dat de Malo op de solaris niet gewerkt heeft (en toch zeker risico’s inhoudt – zie ook mail Ton): willen we wel of niet malo op de johan; de zuurafbouw kan immers ook cfm voorgaand jaar met kadifit (= wijnsteen).

Voorlopig keuze: we gaan varianten maken.

Er zijn meer variabelen denkbaar (bijv. sur lie) maar dit jaar is het zuur-leerjaar; dus focus daarop => voorlopige keuze: 50% wel/niet malo – zowel pers als lek.

3.

Bij zowel johan als (vooral) solaris is de pers donkerder (en bij de sol ook sneller geklaard). Was vorig jaar in deze fase ook zou; trok later echter helemaal bij. Dit jaar heeft de pers echter meer dan 12 uur langer bij de schillen gezeten (= zesmaal zo lang).

Vraag: blijft de pers ook in de vervolgfase donkerder?

tussenstand 26 okt

Na de wijntrip de stand van zaken:

  • de Johanniter staat vrolijk te borrelen; de gisting is nog geheel op gang; flessen staan in de bar op ca 18 graden
  • de solaris is geheel uitgegist – vorig weekend de malo toegevoegd. Nu voor het eerst het zuur weer gemeten en dat levert een verrassend/teleurstellend resultaat:

Het zuurgehalte van de solaris bij oogst was 9 g/l, na gisting 8 g/l.

Opmerkelijk:

  • Bij de perswijn is het zuur verder gedaald naar 6 g/l; dat is ook wat beoogd/verwacht werd van de malo. Opmerkelijk is ook dat deze wijn al behoorlijk helder is.
  • De twee grote flessen echter, de ‘hoofdpersing’ dus laat geen daling van het zuur zien (is nog steeds 8 g/l): danwel de malo is hier niet aangeslagen; danwel heeft gewoon meer tijd nodig..
  • alle flessen laten in de refractometer nog 30Oe zien

We geven de malo nog wat meer tijd en laten de flessen nog een week/twee weken ‘warm’ staan (ca 20 graden).

Wel of geen malo op wit?

Ik heb de afgelopen dagen van alles gelezen over de malolactische gisting, ook wel malolactische fermentatie genoemd. In het kort ‘MALO’.

De functie van Malo is duidelijk: door bacteriële werking wordt appelzuur omgezet in het mildere melkzuur. Als het goed is neemt daardoor het overall zuurgehalte met ca 2 g/l af en zijn de resterende zuren minder ‘scherp’. Het wijnsteenzuur blijft intact.

Als je je op Malo inleest zijn de geleerden het er wel over eens dat, als je een ‘grote rode wijn’ wilt maken er vrijwel altijd een malo gewenst is. Dat willen we wel, maar we hebben dit jaar geen blauwe druiven dus dat is niet spannend.

Over de witte wijn verschillen de lezingen. De een zegt dat het bij wit nooit voorkomt. Om reden dat het zuur sowieso hoger mag zijn en dat malo het aroma en de druiftypische smaak verzwakt. De ander zegt dat Chardonnay in de chablis altijd malo krijgt en dat juist dat het aroma zeer ten goede komt (dat in de chablis inderdaad sprake is van malo weten we inmiddels op basis van de bezoeken daar).

Ook qua zuren verschillen de meningen: de één zegt dat appelzuren scherp en ongewenst zijn en dat het wijnsteenzuur de overhand moet hebben omdat dat de frisheid aan de wijn geeft. Een enkeling keert het juist om.

Bottom line: ik denk dat we inderdaad liever appelzuur dan wijnsteenzuur weghalen. 

Bovendien hebben we te maken met een ander klimaat dan ‘in de rest van de wereld’, met hoge zuurgraad tot gevolg. Al die verschillende verhalen komen volgens mij door overschrijverij van allerlei filosofiën bij verschillende druiven in verschillende regio’s en condities. En daarmee (voor ons) deels geleuter.

Immers: gesteld dat we liever wijnsteen dan appelzuur overhouden moeten we dus appelzuur verminderen. En dan kan alleen door danwel dubbelzoutontzuring (waarvan we denken dat het te heftig effect op de wijn heeft); danwel Malo. Dan liever malo, al was het maar omdat het een biologisch ipv chemisch proces is.

 

oogst 2013

Aanvankelijk dacht ik op de Johan wèl en op de Solaris geen malo toe te passen. De solaris zit bij oogst iets lager in het zuur, is wat zoeter in de smaak en hoger in de alcohol waardoor die misschien wel gebaat is bij iets meer zuur. Van de andere kant wil je zo mogelijk voorkomen dat je later in het proces  met Kalinat aan de gang moet.

De solaris kwam vorige week met 9 g/l van de ranken; na ruim een week gisten (de gisting is ondanks de lage temp bijna voorbij) meet ik nu nog 8 g/l. Kennelijk bouwt dit gist weinig zuur af. (Volgend jaar bij de gistkeuze extra op letten).

In principe moet er dus nog 2 g/l van af en de kans dat dat puur door koeling gebeurt is niet groot: vorig jaar zagen we van koeling amper zuurvermindering. Terwijl het echt koud genoeg was. betekent dus een zeker risico – zonder malo grote kans op Kalinat.

Omgekeerd: malo kan tot max 3 g/l verlagen (in de regel 2) – als er dan door koelte ook nog zuur verdwijnt kan het zijn dat de wijn maar 4 a 5 g/l heeft. Wat mij betreft een acceptabel risico: ook in de Chablis hebben we 4 a 5 g/l gemeten. En de Chardonnay is qua karakter vergelijkbaar met de Solaris. Doorschieten hòeft helemaal niet erg te zijn.

Ergo: wèl malo toepassen; wel frequent het verloop meten.

De Johanniter zal vermoedelijk op 10 a 10,5 g/l van de stokken komen. Da’s sowieso te hoog. We hebben in 2012 heel duidelijk gemerkt hoe groot te hoog zuur van invloed is op de kwaliteit van de wijn en dat toepassing van Kalinat daardom een zeer positief effect had. Zou mooi zijn als we datzelfde effect zonder Kalinat (of althans minder) kunnen bereiken.

Wat mij betreft op voorhand duidelijk dat we op de Johan Malo toepassen. Met oog daarop had ik ook al een gist gekozen dat enerzijds aroma versterkt, anderzijds een goede basis vormt voor Malo.

(In het licht van de wel/geen malo op wit overigens opmerkelijk dat er een gist voor witte wijn is dat juist goed is als voorbereiding op malo – kennelijk is die gedachte niet zo vreemd).

Vervolgens hebben we straks de vraag of we op de Johan II ook malo gaan toepassen. Dat zal allicht afhangen van de zuurgraad bij oogst. Als die onverhoopt 8 g/l zou zijn zou ik het niet doen. Maar ik vermoed dat die ergens tussen de 9 en 10 uit gaat komen. En dan wil ik er wel voor kiezen. Ook om te voorkomen dat we te veel verschillende variabelen hebben bij de smaakvergelijking tussen johan I en johan II. Maar soit: dat kunnen we over een paar weken besluiten.

 

timing

Malo kan ook later in het proces, maar liefst op het moment dat de gisting vrijwel voorbij is. Ook niet te vroeg, want als er teveel suiker is kan zich azijnzuur vormen en da’s niet lekker. Voor de Solaris moeten we dus ongeveer nu een keuze maken; maar we kunnen de beslissing ook uitstellen.

Daarnaast zijn er enkele factoren van invloed:

  • de zuurgraad mag niet té hoog zijn
  • het sulfietgehalte mag niet te hoog zijn
  • de temperatuur is minimaal 17 graden; liever wat hoger

Die zuurgraad zit vermoedelijk wel goed; het sulfietgehalte is met zekerheid niet te hoog (eerder te laag; voorzichtig zijn!). Qua temperatuur heb ik de solaris vandaag uit de kelder gehaald en op de vloerverwarming gezet. Hij zal morgen op kamertemperatuur zijn.

qua toediening van de cultuur:

We hebben al eerder malo toegepast en volgens mij is die eigenlijk nooit helemaal goed verlopen. Ook met het op gang brengen van de gisting hebben we wel eens (grote) problemen gehad en daarom allerlei ingewikkelde experimentjes met gistkweken etc gedaan.

  • Vorig jaar ging het met het gist al een stuk beter – reden vermoedelijk: alleen gesulfiteerd vóór het persen; niet meer erna
  • Dit jaar ging het beter dan ooit – reden vermoedelijk: naast bovenstaande beter gelet op temperatuur van most en ingeweekte cellen – ter voorkoming van ‘shock’.
  • Mogelijk ook van belang: gist heeft zuurstof nodig om op gang te komen. We hebben de ingeweekte gistcellen in de fles gegoten en het zo laten staan. Dus zònder de fles daarna te verplaatsen en al helemaal zònder de zaak bewust flink te mengen – ook dat kan van invloed zijn geweest. Toch eens mee experimenteren met kleine kweekjes…

Beide aspecten spelen ook bij de malo een rol. Het eerste is afgedekt; het tweede moet ook eenvoudig lukken. Hooguit de temperatuur in de loop der weken in de gaten houden om te voorkomen dat de malo stil valt.

Een reden waarom het mogelijk NIET goed zou kunnen gaan:

  • Voor de persing hebben we lysozym toegevoegd om een spontane malo te voorkomen. Als het goed is is die er door de Bentoniet uitgehaald en kan dit geen probleem zijn. Maar meten kunnen we dat niet.

Overigens: ook over de duur van de malo zijn de lezingen verschillend: de een heeft het over een week; de ander spreekt over ‘tot vier weken’. Eind van de malo is zichtbaar doordat er geen co2 meer vrijkomt (de co2 afgifte van malo is 10% van tijdens de gisting dus moeilijker te zien => kleine watersloten plaatsen). En uiteraard moet het meetbaar zijn – op een gegeven moment zal het zuurgehalte niet meer dalen. Ik neem me voor minimaal eenmaal per week het zuur te meten.

Overigens betekent die malo dat de wijn ook veel langer sur lie blijft (de afgestorven gistcellen en het bentonietrestant liggen nog op de bodem – en dus ook in dezelfde fles. Qua flessenlogistiek even in de gaten houden (vooral als straks ook de Johan op malo staat kan het zijn dat we, ondanks de extra aanschaf, toch wat krapte gaan krijgen qua 25l fles-niet echt een probleem – we hebben dan sowieso de vaten vrij immers).

Wel of niet ontzuren?

Zoals in een eerder posting al gezegd: uitgangspunt van onze vinificatie is dat we zo zuiver mogelijke wijn willen maken. Met dus zo weinig mogelijk trucs. Dus in principe ook niet aansuikeren of ontzuren.

Inmiddels hebben we geleerd dat je er echter vrijwel niet aan ontkomt. De kans dat de druiven bij de oogst meer zuur bevatten dan wenselijk is gewoon erg groot.

Voor het type wij dat wij willen maken streven we bij de witte wijnen naar een uiteindelijke zuurgraad in de fles van 6 g/l. Het mag een ietsje hoger zijn (bij rode wijn is het streven 4 a 5 g/l).

Dat wil niet zeggen dat de druiven bij de oogst al dat gehalte moeten hebben, tijdens het vinifcatieproces verdwijnt er ook wat zuur:

  • tijdens de gisting
  • tijdens de (eventuele) malolactische gisting
  • door de wijn koud te zetten(neerslag wijnsteenzuur)

Grofweg zal de zuurgraad hierdoor tijdens het vinificatieproces met 3 g/l dalen. Betekent voor de witte wijn dus dat de gewenste zuurgraad bij oogst zo’n 9 g/l bedraagt.

Is de zuurgraad bij de oogst hoger, of de daling tijdens de vinificatie lager dan moeten we ingrijpen. In eerdere jaren hebben we dat niet willen doen, en bijvoorbeeld een restzuur van 8 g/l geaccepteerd. Maar we hebben gemerkt dat dat in de wijn toch ècht te sterk overheerst. Misschien dat het goed zou komen als de wijn een paar jaar zou liggen, maar die ervaring hebben we met onze eigen wijn nog niet.

Bovendien heb je te maken met verschillende zuren: appelzuur en wijnsteenzuur. Appelzuur geeft een nogal zure smaak, wijnsteenzuur levert vooral het ‘verfrissend effect’.

Dat extra ontzuren kan op verschillende manieren:

We hebben ervaring met:

dubbelzoutontzuring

De oogst van 2010 was enorm zuur; wel 16 g/l. Dat vraagt om draconische maatregelen, en dat is dan dubbelzoutontzuring.

Komt er op neer dat je met calciumcarbonaat (acidex) een deel van de wijn volledig ontzuurt. Zowel appel als wijnsteenzuur. Vervolgens voeg je beide delen samen en is het zuurgehalte van het geheel dus gedaald. Met deze methode kun je de zuurgraad feitelijk zo veel omlaag brengen als je wilt (bij de andere twee methodes is dat niet zo). Maar je hebt wel het gevoel dat je met een chemische fabriek bezig bent en dat willen we niet. Bovendien is het onze overtuiging dat het zwaar ten koste gaat van de kwaliteit. We hebben het in 2010 wel geprobeerd maar het resultaat was niet best.

Mochten we nog eens zo’n zure oogst hebben dan gaan we allicht in de herkansing, maar ook deze methode willen we liefst vermijden.

fijnontzuring

Na de vinificatie van 2012 merkten we dat het zuur nog net iets te hoog was en hebben we fijnontzuring met caliumhydrocarbonaat (kalinat) toegepast. Voordeel van deze methode is dat hij veel minder van invloed is op de wijn als zodanig. Nadeel is dat hiermee alleen wijnsteenzuur verwijderd wordt. Wijnsteenzuur zorgt ook voor het frisse gevoel van een wijn. Risico van verwijderen van wijnsteenzuur is dat er te veel appelzuur resteert; en juist dat levert de vervelend-zure smaak.

Helaas kunnen we ‘in huis’ niet bepalen wat de verhouding wijnsteen/appelzuur is. dan zou je, zoals een professionele wijnbouw doet, telkens monsters naar een laboratorium moeten sturen en dat doen wij (nog) niet. Het is dus een beetje een gok. Maar zolang we op deze manier niet al te heftig ontzuren verwachten we dat we ‘safe’ zitten.

Deze vorm van ontzuring kan nog vrij laat in het proces. Maar hoe eerder hoe beter.

malolactische gisting

Ook wel genoemd ‘biologische zuurafbouw. Daarbij wordt het appelzuur omgezet in melkzuur, wat veel milder is.

Onze ervaring hiermee is nog vrij beperkt. We hebben het vorig jaar wel geprobeerd met de Johanniter maar zodanig weinig afbouw gezien dat we ons afvragen of die Malo wel goed gegaan is. Dit jaar gaan we daar extra goed op letten en beter meten.

 

 

Meer weten? Zie ook brabantse wijnbouwers en wijngaardeniersgilde

Wel of niet aansuikeren?

Deze beschouwing gaat over wel of niet aansuikeren.

Er is een relatie met wel of niet ontzuren; voor dat laatste echter een aparte posting.

Inleiding

Uitgangspunt van onze vinificatie is dat we zo zuiver mogelijke wijn willen maken. Met dus zo weinig mogelijk trucs. Dus in principe ook niet aansuikeren of ontzuren.

Het eerste jaar leek dat inderdaad mogelijk; getuige het mooie resultaat van de Solaris. Al rap daarna werden we op de feiten gedrukt met in 2010 in de johanniter een suikergehalte van 50 Oe en 16 g/l zuur. Toen moesten we wel kiezen voor drastische maatregelen die vervolgens dan ook luid en duidelijk in het eindproduct te proeven waren. Bleeegh.

2011 was met 70Oe en 10g/l weliswaar een stuk beter, maar daarbij gingen weer andere zaken mis. 2012 scoorde al een stuk beter, met 79Oe op 9 g/l zuur. 2013 lijkt weer wat lager in de suikers te zitten.

Wanneer kies je nu wel of niet voor aansuikeren?

 

Tabel

wg28

Het (wettelijk) minimum alcoholpercentage voor wijn is 8,5%. Dat is nodig voor de conservering.

Maar alcoholpercentage is ook van grote invloed op de smaakkwaliteit (neus, mondgevoel, afdronk etc.). Zo hebben we gemerkt dat bijv de Regent 2012 best heel aardig was qua fruit, maar door te lage alcohol toch erg vlak bleef. Achteraf gezien was aansuikeren beter geweest.

Grofweg gaan we er van uit dat we minimaal 11% alcohol willen bereiken. Dat betekent een Oe van 83. Zitten we lager, dan kan kiezen we voor aansuikeren. En als we dan tòch gaan suikeren, dan maar meteen naar de eigenlijk gewenste 12%. Ofwel equivalent met 90Oe. (Mocht de Oe hoger dan 90 liggen dan halen we er uiteraard géén suiker uit ;)).

Johanniter 1 – 2013

Op moment van schrijven moet de johanniter 1 nog geoogst worden. Op dit moment meten we 73 Oe en dat is te weinig. Zou immer neerkomen op 9,6% alcohol. Ik verwacht overigens dat de Oe nog wel ietsje hoger zal uitkomen dus ik ga nu even uit van 75 Oe. Dan hebben we dus 1950 g suiker per 10 liter wijn. En dat zou 2400 moeten zijn. Zou betekenen dat we 550g suiker per 10 liter moeten toevoegen. Maar het volume neemt ook nog iets toe; we ronden af op 600 g/l. (dit is even heel kort door de bocht. René heeft van 2010 nog een spreadsheet – graag nog even narekenen!)

Inschatting is dat we 150 kg gaan plukken, leidend tot 75 liter wijn. Betekent dat we zaterdag nog even 4,5 kg suiker in huis moeten halen.

Die suiker moet dan eigenlijk eerst geïnverteerd worden, maar ik ben er nog niet uit of ik dat wel wil; dan komt er immers letterlijk ‘water bij de wijn’. We gaan toch voor een langzame gisting en de toevoeging is vrij gering. Dus dat inverteren mag ook wel in de most gebeuren… Nog maar eens even nalezen hoe dat ook weer zat…

 

 

 

Keuzemomentje: wanneer willen we de Johanniter oogsten?

Weer zo’n cruciaal keuzemoment in het leven van de wijnbouwer: we moeten bepalen wanneer we de Johanniter gaan plukken.

In 2012 hebben we in twee etappes geoogst: het eerste deel medio oktober, het tweede deel eind oktober. Daarbij hebben we per keer twee rijen geheel leeggeplukt.
Daarbij bovendien het voornemen een volgend jaar, bij gesplitste oogst, alle stokken half te plukken. De stok heeft dan ‘extra kracht’ om de nog hangende trossen te laten ontwikkelen.

2013 is anders: de druiven lopen achter. Althans: dat was bij de solaris zeker zo; bij de johan wat minder. Bovendien is het weer anders: we hebben momenteel erg veel regen.

Zojuist zo’n 40 druiven geplukt om daarmee een goede gemiddelde meting te kunnen doen.

Uitkomst:

  • 73 Oe (iets lager dan eerder, komt vermoedelijk door de regen, bovendien waren de druiven nat)
  • 10,7 zuur (ik had op smaak gegokt op 10 – niet slecht..)

Vergelijking 2012:
……….1e  2012            2e 2012        2013
OE       79                    87                  73 (76?*)
zuur     9                     8,5                 10,5

Feitelijk is suiker nog wat te laag en zuur nog wat te hoog en zouden we eea logischerwijze nog een tijdje laten hangen.

Maarrr:

  • er is sprake van enige botrytis; hoe gaat zich dat ontwikkelen, zeker gezien het natte weer en de vrijwel dagelijkse regen, ook de komende weken.
  • er hangen eigenlijk tè veel druiven aan de stokken. Door aanvankelijke onzekerheid over de troszetting hebben we de trosdunning dit jaar maar helemaal overgeslagen. Was meer ‘state of mind’ dan een weloverwogen keuze. Gevolg is wel dat sommige stokken bijna 20 trossen dragen, en dat is eigenlijk te veel. Van de andere kant: de trossen zijn veelal niet al te groot en dat compenseert dan weer.
  • het suiker ontwikkelt amper nog
  • het zuur weten we wel terug te brengen, gaat om 1 a 2 gram extra reductie; dat hebben we afgelopen jaar wel geleerd.
  • * eerder deze week een suiker van Oe gemeten; kan zijn dat er sprake is van wat ‘verwatering’ door regen. Tot en met zaterdag wordt vrijwel geen regen meer verwacht; kan zijn dat dat Oe teruggaat naar 76.

Staat van de druiven:

  • er is zeker sprake van Botrytis maar, tegen verwachting in, zie ik die afgelopen week niet heel snel ontwikkelen. Op aangetaste trossen verspreid het zich allicht maar het lijkt weinig ‘over te springen’. Ik zie ook vrijwel geen gebarsten druiven. Heb de aantasting niet geteld, maar even héél grofweg schat ik dat hooguit 5% echt is aangetast; bij hooguit 20% een begin. Het gros ziet er kerngezond uit
  • opvallend is dat er groot verschil is in uiterlijk van de (gezonde) trossen. Er zijn er die goudbruin zijn met wat zwarte stipjes; er zijn er echter ook die appelgroen zijn. Je zou verwachten dat die goudbruine het rijpst zijn; dat blijkt echter niet uit meting. Is geen pijl op te trekken.
  • opvallend is ook dat het Oe nog steeds enorm uiteen loopt – ik heb er gehad van onder de 60, maar ook van 85. Het Oe is amper op het uiterlijk van de druif voorspelbaar.
  • de conditie van het blad is nog steeds prima.

Afweging:

  • we kunnen besluiten eerste oogst minimaal een week uit te stellen
  • het risico bestaat dat de botrytis in de tussentijd doorzet; na komend weekend keert de regen terug
  • gesteld dat we ook dàn zouden besluiten tot oogst in twee tranches is het leereffect groter naarmate die tranches verder uit elkaar liggen
  • (gedeeltelijke) oogst op korte termijn vraagt wel om ontzuren c.q. aansuikeren (zie andere posting)
  • we willen nog beter gevoel krijgen bij de verhouding (fenologische) rijpheid – kwaliteit eindproduct – vorig jaar was er wel sprake van enig verschil, maar amper significant. Maw: hoe belangrijk is uitstel? Hoeveel risico wil je daarmee lopen?

Concreet voorstel, gesteld dat eea zaterdag nog onveranderd is:

  • aanstaande zaterdag (19/10) oogsten we per stok de helft (dus, anders dan vorig jaar, alle vier de rijen).
  • de botrytisaantasten allicht verwijderen
  • verder toch prio bij de op het oog rijpste druiven; vervolgens van ‘onder naar boven’ – per uitloper blijft, afhankelijk van trosgrootte 1 a 2 trossen zitten.
  • opbrengst naar schatting 150 Kg.
  • het tweede deel pas oogsten als dànwel botrytis alsnog doorzet; dànwel nachtvorst met bladverlies tot gevolg.

Doel van dit logboek

Dit logboek is primair voor ‘intern gebruik’. Bedoeld om goed bij te houden wat we precies wanneer doen, vooral als naslagwerk voor de komende jaren.

Op dit moment houden we alles bij in een schriftje, maar dat wordt soms dan toch wat onleesbaar gekrabbel waardoor het dan een zoekplaatje wordt van ‘wat hebben we toen ook al weer precies gedaan’ en ‘waarom’ en bovendien ‘hoe??’.

Vandaar dat we het nu proberen wat gestructureerder te doen. Omdat het echter primair voor intern gebruik is zal het niet altijd prozaisch zijn, en soms slechts wat feitjes die voor ‘de leek’ niet te plaatsen zijn.

Maar uiteraard mag iedereen graag meekijken… Of het nu is uit interesse voor de wijngaard in algemene zin, of omdat je ook met druiven aan het knoeien bent en wilt zien wat wij er precies mee doen.. Vragen en reacties zijn van harte welkom.
wg29

uitbreiding de hinn fase 2


From uitbreiding De Hinn 2013 – fase 1. Posted by Wijngaard De Hinn on 5/12/2013 (5 items)

Generated by Facebook Photo Fetcher 2